maandag 5 oktober 2009
In de afgelopen jaren zijn veel werknemers verleid om – vaak met de inleg van hun werknemersspaarrekening – een kleine lijfrente aan te schaffen. Door verschillende oorzaken (beperking van de belastingvrij te sparen bedragen, zeer hoge kosten, lage rendementen) is deze lijfrenteverzekering – die bedoeld was als een appeltje voor de dorst – verschrompeld. Veel verzekeringsnemers willen er dan ook graag van af, ook als dat betekent dat ze in veel gevallen minder terug zullen krijgen dan dat ze ooit zelf hebben betaald. Tot 2009 was dat echter een fiscaal wat moeilijk uitvoerbare exercitie.
Met ingang van 1 januari 2009 is daar echter verandering in gekomen. Sinds die datum geldt er een afkoopmogelijkheid voor kleine lijfrentekapitalen (art. 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001). Het gaat daarbij om een fiscaalverzachtende afkoopregeling voor lijfrentecontracten waarvan de waarde niet meer bedraagt dan 4.000 euro (jaarlijks te indexeren). Een dergelijke afkoop kan zonder negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en zonder revisierente (art. 30i, eerste lid, onderdeel b, AWR) geschieden. Voorts is de waarderingsregel van art. 3.137, eerste lid, tweede volzin, Wet IB 2001 niet van toepassing. Wel is een dergelijke afkoop, op gelijke wijze als de periodieke termijnen, in box 1 belast, omdat het uitgekeerde bedrag wordt aangemerkt als een termijn van lijfrente, zodat art. 3.100 Wet IB 2001 van toepassing is.
Een aanvullende voorwaarde voor de gefacilieerde afkoop is dat nog geen termijnen zijn vervallen. De regeling kan dus niet gebruikt worden om een ingegane lijfrente of andere periodieke uitkering – die uiteraard door tijdsverloop in waarde daalt – in de vorm van een afkoop inééns zonder fiscale sanctie op te kunnen strijken. Dezelfde afkoopregels gelden overigens voor de lijfrentespaarrekening en het lijfrentebeleggingsrecht. Daarbij geldt dat lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die de belastingplichtige aanhoudt bij eenzelfde kredietinstelling geacht worden tezamen één rekening respectievelijk één beleggingsrecht te vormen