woensdag 26 november 2008
Twee vennoten van een vennootschap onder firma kiezen in 2003 voor de BV. Beide firmanten brengen hun aandelen onder bij een eigen holding-BV. Daarbij kiest men voor ruisende inbreng: voor de inkomstenbelasting wordt de bestaande onderneming gestaakt en er moet inkomstenbelasting worden betaald over de stille- en fiscale reserves en de goodwill. Voordeel: de winst mag worden verminderd met de stakingsaftrek en een gedeelte kan worden aangewend voor een lijfrente, waarvan de premie onder voorwaarden aftrekbaar is.
Beide ondernemers kiezen ervoor om vanuit hun holding-BV’s een aandeel in de onderneming over te dragen aan een werk-BV, met uitzondering van een pand. Dit pand blijft achter in één van de holding-BV’s. Voor de inbreng verstrekt de werk-BV € 18.000 aan aandelen en voor het restant gaat de werk-BV een schuld aan bij de aandeelhouders (de holding-BV’s).
De betrokken notaris overlegt deze constructie vooraf met de belastingdienst. Die gaat aanvankelijk akkoord, maar over de overdracht van het pand aan de holding-BV, waarbij de ondernemer een beroep doet op vrijstelling voor de overdrachtsbelasting, ontstaat later toch nog een geschil.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake kan zijn van vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Eén van de eisen voor toepassing van de vrijstelling is namelijk, dat de aan de holding overgedragen onderneming nog minimaal drie jaar binnen de holding moet worden voortgezet. Daarvan was hier geen sprake. Toepassing van de vrijstelling is ook mogelijk, indien de onderneming door de holding-BV wordt overgedragen aan de werk-BV en dan nog drie jaar door de werk-BV wordt voortgezet. Dan geldt echter de eis, dat de holding tenminste 90% van de aandelen in de werk-BV bezit. En in dit geval bezat iedere holding slechts de helft van de aandelen in de werk-BV, zodat ook daardoor een beroep op de vrijstelling niet opging.
Overigens ging er in deze zaak meer fout. Voor de inkomstenbelasting had de firmant zijn firma-aandeel ingebracht in de holding met als tegenprestatie van de holding een lijfrente. Voordeel is, dat de firmant uitstel van belastingbetaling kan krijgen voor (een deel van) de meerwaarden in zijn onderneming en de oudedagsreserve. De firmant geniet direct een hoge lijfrentepremie-aftrek en moet pas later inkomstenbelasting betalen over de lijfrentetermijnen. De rechtbank zette ook een streep door de lijfrente-premieaftrek omdat aan de daarvoor geldende voorwaarden niet was voldaan.
TIP: deze zaak had een goede afloop gekend als de holding-BV de onderneming had ingebracht in de werk-BV tegen uitsluitend uitreiking van aandelen. Kies voor deskundige begeleiding bij het oprichten van een BV. Het gaat meestal om grote financiële belangen.